Menu

Biografie

Claude Vivier

Claude Vivier werd geboren in Montreal op 14 april 1948 (hoewel de datum onzeker is), uit onbekende ouders: “Wetende dat ik vader noch moeder had, gaf mij een wonderlijke droomwereld; ik verzon mijn afkomst zoals ik wilde, deed alsof ik vreemde talen sprak. De realiteit waarmee ik elke dag te maken kreeg was, helaas, zeer hard”. Geadopteerd in 1950, groeide hij op in een bescheiden milieu. In de crèche dachten ze dat hij doofstom was. Hij sprak pas toen hij zes jaar oud was. In 1964, na een grote mystieke periode, besloot hij priester te worden en werd hij intern in het kleinseminarie Saint-Vincent-de-Paul, waar hij orgel speelde en enkele preludes componeerde. De muziek kwam als een openbaring tijdens een middernachtmis. Uitgesloten van het seminarie wegens “te onvolwassen”, een afwijzing die hij moeilijk kon aanvaarden, ging hij in 1967 naar het Muziekconservatorium van Montréal. Hij studeerde er tot 1970 in de klassen van Irving Heller (piano) en Gilles Tremblay (compositie), met wie hij Varèse bestudeerde en werd er, naar eigen zeggen een tweede keer geboren, ditmaal “voor de muziek”,. De studenten Michel-Georges Brégent en Walter Boudreau maakten er deel uit van zijn vriendenkring.

A String Quartet (1968), Ojikawa (1968), waarin hij zich reeds van een fictieve taal bediende, Musique pour une liberté à bâtir (1968-1969) en Prolifération (1969) wekten zoveel belangstelling dat de “Société de musique contemporaine du Québec” de werken van Vivier in haar concert-programma’s begon op te nemen. Dankzij beurzen van de “Canada Council for the Arts” studeerde hij elektro-akoestische muziek aan het Instituut voor Sonologie in Utrecht (1971), bij Gottfried Michael Koenig. Er volgden nog andere verblijven in Europa, voornamelijk in Parijs (1972), waar hij een leerling was van Paul Méfano, en in Keulen (1972-1974), waar hij studeerde bij Richard Toop, Hans Ulrich Humpert en Karlheinz Stockhausen, wiens Stimmung (1968) een beslissende invloed had op zijn koorwerken en aan wie hij verklaarde dat hij een derde keer geboren was, “in de compositie”.

Musik für das Ende (1971), Désintégration (1972-1974), Chants (1973), O! Kosmos (1973), Jesus erbarme dich (1973) en Lettura di Dante (1974) getuigen alle van een voorliefde voor de stem en voor de homofone schriftuur, die verder gaat dan zijn vroegere, meer “conceptuele” periode, die hij onder het teken van het structuralisme had geplaatst. Terug in Montreal werkte hij aan zeven korte stukken voor duetten of solo-instrumenten, bestemd voor de finale van de Canadese Muziekwedstrijd, sectie “International Stepping Stone”, alsmede Liebesgedichte (1975) en Siddhartha (1976), voor het Nationaal Jeugdorkest van Canada.

In 1976 volgden enkele maanden lesgeven aan de Universiteit van Ottawa. In die periode produceerde hij een magnetische band voor Büchners toneelstuk Woyzeck, dat door het National Arts Centre in Ottawa werd bewerkt voor het poppentheater.

In 1976-1977, maakte hij een lange reis naar het Oosten: Japan, Iran, Java en vooral Bali, waar hij drie maanden verbleef, en waaraan hij niet alleen verschillende elementen muzikale techniek overhield, maar ook het principe van de integratie van kunst in het dagelijks leven. Bij zijn terugkeer schreef hij: “Ik besef dat deze reis uiteindelijk een reis naar de diepten van mijzelf is,” terwijl hij Pulau Dewata (1977), Shiraz (1977), Paramirabo (1978) componeerde. Zij zijn alle drie doordrongen van deze oosterse ervaring terwijl hij in Journal (1977) de thema’s kindertijd, liefde, dood en onsterfelijkheid aansnijdt. Voor de balletten Love Songs (1977) en Nanti Malam (1977)j werkte hij samen met de dansers van de Groupe de la Place Royale.

In 1978 richtte hij samen met Lorraine Vaillancourt, John Rea en José Evangelista het Événements du Neuf op, een instelling ter bevordering van de hedendaagse muziek in Montréal. Hij begon ook met het componeren van een opera, Kopernikus (1979), die in 1980 in première ging en waarvoor hij het libretto schreef.

Kalender