Menu

Biografie

Terry Riley

Terry Riley, geboren in Colfax (Californië), ontdekte op zesjarige leeftijd tijdens zijn studies viool en piano de jazz klassiekers alsook de traditionele Amerikaanse en de klassieke muziek. Van 1953 tot 1961 studeerde hij compositie aan het Shasta College, aan de Universiteit en het Conservatorium van San Francisco en aan de Universiteit van Californië. Parallel hieraan vormde hij een improvisatietrio met Pauline Oliveros en Lauren Rush. Aan het einde van de jaren 1950 sloot hij vriendschap met La Monte Young, die hem de muziek van John Coltrane en Karlheinz Stockhausen leerde kennen. In 1959-1960 waren Riley en Young – beiden aanhangers van John Cages gedachtegoed – huiscomponisten van de Anna Halprin Dance Company. Rond 1960 nam Riley zijn eerste bewerkingen van geluidsfragmenten in lus op, zoals Mescalin Mix, 1961. Met zijn diploma op zak vertrok hij in 1962 voor twee jaar naar Frankrijk, waar hij sympathiseerde met de Fluxus beweging en samenwerkte met Chet Baker. In Pigalle kon hij als pianist in zijn levensonderhoud voorzien. In 1964 keerde hij naar de Verenigde Staten terug – enkele maanden voor de creatie in november van zijn stuk In C (« in do majeur ») aan het San Francisco Tape Music Center. Dit werk stond aan de wieg van de repetitieve muziek. Vervolgens vestigde hij zich voor vier jaar in New York, waar hij zong bij het Theatre of Eternal Music van La Monte Young. In 1967 gaf hij in Philadelphia zijn eerste ‘all-night concert’. Het merendeel van zijn toenmalig werk begunstigde de improvisatie, getuige hiervan A Rainbow In Curved Air (1968). In 1970 vertrok hij naar New Delhi waar hij hindoestaanse muziek studeerde bij Pandit Pran Nath, met wie hij tot aan diens dood in 1996 zou concerteren. Van 1971 tot 1981 doceerde hij Indiase muziek en compositie aan het Mills College, waar hij David Harrington van het Kronos Quartet ontmoette, aan wie hij talloze partituren zou opdragen. In 1989 richtte Riley de improvisatiegroep Khayal op en in 1993 het theatergezelschap The Travelling Avant-Garde, teneinde zijn multimedia-kameropera The Saint Adolf Ring (1992) voor te stellen. In 1991 componeerde hij zijn eerste orkestrale oeuvre Jade Palace, ter gelegenheid van de viering van het honderdjarige bestaan van Carnegie Hall en gecreëerd door Leonard Slatkin, dirigent van het Symfonisch Orkest van Saint-Louis. In 1992 werd hij huiscomponist van het Atlantic Center for the Arts en vervolgens in 1996 aan het Arcosanti in Arizona. Vanaf 1993 onderwees hij aan de Chisti Sabri School of Music in Marin (Californië) en in Jaipur (Indië). In 1995 onderwees hij tevens aan het California Institute of Arts, alsook aan het Naropa Institute (Boulder, Colorado), een boeddhistisch geïnspireerd instituut waar een ‘meditatieve opleiding’ werd aangeboden. Aan het einde van de jaren 1990 legde Riley zich vaak solo toe op piano, maar werkte ook volop samen met talloze artiesten, waaronder de saxofonist George Brooks, de sitar- en tablaspeler Krishna Bhatt en de contrabassist Stefano Scodanibbio. Gevestigd aan de uitlopers van de Sierra Nevada wijdt Riley zich aan raga’s, improvisatie en compositie. Hij toert regelmatig door Amerika, Europa en Indië.

Agenda